Rol zorgverlener

Screen1

Signaleer voedingsproblemen
(screen met MUST, SNAQ of de VOEDINGSTOESTANDMETER)

Bij een score van 1 of meer punten bij de screening met MUST of een score van 2 of meer punten bij de screening met SNAQ is het risico op ondervoeding gemiddeld tot hoog en is voedingsinterventie noodzakelijk. Voor de dieetbehandeling van de ondervoeding van uw patiënt kan gekozen worden voor het gebruik van sondevoeding. Schakel hiervoor altijd een arts en/of diëtist in.

Voedingstoestandmeter

Bij onbedoeld gewichtsverlies van > 5% in 1 maand of > 10% in 6 maanden: schakel de diëtist in voor dieetbehandeling.

Sondevoeding is geïndiceerd indien:2

  1.  Voedingsinname 50‐75% van de behoefte en aanvullende orale voeding niet mogelijk is.
  2. Voedingsinname < 50% van de behoefte.
  3. Wanneer orale voeding niet is toegestaan.

Dieetbehandeling

Doel van de sondevoeding wordt in overleg met de diëtist en arts bepaald. Deze doelstelling moet vastgelegd worden in het patiëntendossier en voortdurend worden geëvalueerd.

  • Zoek samen met de patiënt naar doelen die voor hem/haar belangrijk zijn zodat ook voor de patiënt de doelen duidelijk, relevant en haalbaar zijn.
  • Evalueer regelmatig wat het doel van de sondevoeding is en of het doel bijgesteld dient te worden. Is het doel duidelijk voor uzelf en voor de patiënt? Zo nee, laat u goed informeren en zorg ervoor dat de patiënt ook goed wordt geïnformeerd.
  • Werk samen met andere betrokken zorgverleners.
  • Sondevoeding is een onderdeel van de totale medische behandeling en zal altijd overwogen moeten worden in het belang van de patiënt.

Communiceer

  • Bewaak de voorlichting naar de patiënt over de te realiseren doelstelling van de voedingsbehandeling.
  • Zoek samen met de patiënt naar een goede manier om sondevoeding in het dagelijks leven in te passen (eventueel in samenspraak met de transferverpleegkundige, diëtist of het facilitair bedrijf).
  • Bespreek de wijze van toediening van sondevoeding met de patiënt. Bijvoorbeeld alleen nachtelijke sondevoeding wanneer de patiënt overdag nog normaal eet of gedurende 18-20 uur langzaam inlopend wanneer de sondevoeding de totale voeding vervangt.
  • Geef technische ondersteuning aan de patiënt op het gebied van de materialen (evt. samen met het technisch team).
  • Geef informatie over de dagelijkse verzorging van de toedieningsmaterialen.
  • Signaleer (praktische en/of psychische) problemen bij de patiënt en vraag evt. andere disciplines in consult.
  • Overleg met diëtist en/of (huis)arts de voortgang van de voedingsbehandeling en bespreek onder welke condities de sondevoeding kan worden afgebouwd en/of worden gestopt.

Evalueer

  • Evalueer de dieetbehandeling met sondevoeding. Continueer, wijzig of eindig deze altijd in overleg met de arts en/of diëtist.
  • Advies duur sondevoeding: het kan 5-7 dagen duren voor het gewenste innamedoel bereikt wordt.3,4
  • Spreek vaste evaluatiemomenten af met de patiënt waar de betrokken disciplines bij aanwezig zijn.

Ga door met sondevoeding tot het moment dat de patiënt weer 75% van zijn/haar voedingsbehoefte dekt met orale voeding.5 Bouw de sondevoeding langzaam af bij de start van orale voeding.

Vuistregel is:
- Indien >50% van de voedingsbehoefte gedekt wordt met orale voeding dan starten met afbouwen.
- Indien >75% van de voedingsbehoefte gedekt wordt met orale voeding dan stoppen met sondevoeding.

Ontslag

Stop niet te snel na ontslag (naar een andere afdeling, andere instelling of naar huis) met sondevoeding.

  • Check vóór ontslag of het doel van de dieetbehandeling met sondevoeding is behaald. Zo niet, continueer het gebruik van sondevoeding.
  • Ook na ontslag is aandacht voor een goede voedingstoestand essentieel. Indien < 75% van de voedingsbehoefte gedekt wordt door orale voeding, continueer dan de sondevoeding.5
  • Vul een overdrachtsformulier in.
  • Schakel betrokken zorgverleners in die de voedingszorg overnemen en informeer hen over het doel van de dieetbehandeling met sondevoeding. Maak hiervoor gebruik van een overdrachtsformulier.
  • Indien de patiënt naar huis gaat, bestel dan de juiste materialen en zorg ervoor dat de materialen goed op elkaar zijn afgestemd. Benodigde materialen zijn o.a.:
    - Flocare® Infinity™ (Plus) pomp en Flocare® Pack (Mobile) set
    - Reservesonde: zorg dat de patiënt/cliënt een zelfde sonde meekrijgt in geval van een neus-maagsonde, een Flocare® G-Tube of een buttonsonde
    - Spuiten (60 ml) (ook voor eventuele bolustoediening)
    - Tas voor pomp (bij mobiele patiënt)
    - pH indicatorpapier
    - Fixatiemateriaal
    - Nutrison sondevoeding

 

Referenties:
1 Richtlijn Screening en behandeling van ondervoeding (versie juni 2011). Stuurgroep Ondervoeding.
2 http://www.stuurgroepondervoeding.nl/keuze‐wel‐geen‐sondevoeding
3 CBO richtlijn peri-operatief voedingsbeleid, 2007.
4 ESPEN Guidelines on adult enteral nutrition. Clinical Nutrition 2006;25:177-360.
5 Richtlijn Screening en behandeling van ondervoeding (versie juni 2011). Stuurgroep Ondervoeding.