Oplossen van problemen

Soms komt het voor dat patiënten problemen krijgen bij het gebruik van sondevoeding. Als zorgverlener speelt u een belangrijke rol in het voorkomen dan wel oplossen van deze problemen. Belangrijk is om de wijzigingen die u uitvoert terug te koppelen naar de voorschrijver, zodat de voedingstoestand van de patiënt niet in het gedrang komt. Hierbij een aantal tips die u kunnen helpen om mogelijke problemen te voorkomen of te behandelen:

 

Diarree

 

  • Check de algemene hygiëne.

  • Check de temperatuur van de sondevoeding. Bij voorkeur is de temperatuur van de sondevoeding op kamertemperatuur.

  • Kies een Multi Fibre sondevoeding (in overleg met arts en/of diëtist).

  • Verlaag tijdelijk de toedieningssnelheid/hoeveelheid van de sondevoeding.

  • Start intermitterend voeden, houd een minimale pauze van 6 uur waarin geen sondevoeding wordt gegeven.

  • Gebruik sondevoeding met max 300-400 mOsmol/l

  • Pas (indien mogelijk) geneesmiddelen aan:

    - Check soort antibiotica.

    - Check voorschriften geneesmiddelen bij sondevoeding.

    - Check of het toedieningssysteem (en eventueel gebruikte spuit voor toediening van medicatie) dagelijks vervangen wordt.

 

Verstopte sonde

 

De volgende methode kan toegepast worden om verstoppingen in de sonde op te lossen:

 

  • Spuit de sonde door met lauwwarm water. Gebruik niet teveel druk om scheuren van de sonde te voorkomen. Gebruik daarom nooit spuiten met een kleinere inhoud dan 20 ml.

  • Rol de sonde voorzichtig tussen duim en wijsvinger in de lengte van de sonde.

     

Gebruik geen andere vloeistoffen om de sonde door te spuiten. Herplaats nooit een voerdraad in de sonde om verstopping op te lossen, omdat dit perforatie van het maagdarmkanaal tot gevolg kan hebben. Als de verstopping van de sonde nog niet is opgeheven, verwijder de sonde en plaats een nieuwe.

 

Obstipatie

 

  • Zorg er voor dat de patiënt minimaal 2 liter vocht per dag binnen krijgt.

  • Geef een sondevoeding met Multi Fibre (in overleg met arts en/of diëtist)

  • Stimuleer, indien mogelijk, meer lichaamsbeweging.

  • Bevorder regelmatige toiletgang.

  • Pas (indien mogelijk) geneesmiddelen aan.

 

Reflux/aspiratie

 

  • Breng de patiënt in een halfzittende houding.

  • Toediening: continu of intermitterend i.p.v. per portie.

  • Verlaag eventueel de toedieningssnelheid.

  • Overweeg post-pylorisch voeden: minder risico op aspiratie.

  • Bij verhoogd risico, probeer niet ‘s nachts te voeden.

  • Bepaal vaker de maagretentie (zie hoofdstuk maagretentie bepalen).

  • Controleer regelmatig de positie van de sonde.

     

Misselijkheid en braken

 

  • Breng de patiënt in een halfzittende houding.

  • Start continu toediening i.p.v. toediening per portie.

  • Bepaal vaker de maagretentie (zie hoofdstuk maagretentie bepalen).

  • Controleer regelmatig de positie van de sonde.

  • Check de temperatuur van de sondevoeding. Bij voorkeur is de temperatuur van de sondevoeding op kamertemperatuur.

  • Verlaag tijdelijk de toedieningssnelheid en de hoeveelheid van de sondevoeding.

  • Gebruik sondevoeding met max 300-400 mOsmol/l.

  • Geef evt. een anti-emeticum.