2.1 Neussonde

De sonde wordt via de neus en de slokdarm in de maag (neus-maagsonde) of via de maag in de darm (neus-duodenumsonde of neus-jejunumsonde) gebracht.

Neussonde

Het inbrengen van een neussonde duurt ongeveer 20 minuten. De sonde wordt via de neus en de slokdarm in de maag (neus-maagsonde) of via de maag in de darm (neus-duodenumsonde of neus-jejunumsonde) gebracht. Een neussonde kan zowel thuis als in het ziekenhuis door een verpleegkundige worden ingebracht.

Neusmaagsonde

Wat kunt u verwachten:

  1. Uw kind moet een zittende of halfzittende positie aannemen;
  2. De verpleegkundige bepaalt de lengte van de sonde aan de hand van de afstand tussen de punt van de neus (A) naar het oor (B) en vervolgens tot het laagste punt van het borstbeen (C);

    het plaatsen van een sonde

  3. De verpleegkundige kan de sonde een beetje nat maken om de inbreng van de sonde te vergemakkelijken;
  4. Snuit de neusgaten afzonderlijk voordat de sonde wordt ingebracht. Het neusgat dat het best toegankelijk is, zal het neusgat zijn waar de sonde doorheen gaat;
  5. Uw kind moet zijn hoofd iets naar achteren buigen. De sonde wordt dan via het betreffende neusgat de keelholte in geschoven;
  6. De kin van uw kind wordt op zijn borst geplaatst om de weg naar de slokdarm vrij te maken. De sonde wordt voorzichtig naar beneden geduwd, waarbij uw kind goed moet slikken. Dit kan door kleine slokjes water te drinken;
  7. Na het inbrengen zal de verpleegkundige de ligging controleren door middel van een pH-meting Dit wordt gedaan door een beetje maaginhoud op te trekken met een spuit, en te meten met pH-papier;
    Als de pH lager of gelijk is dan 5,5, weet de verpleegkundige dat de ligging juist is. Wanneer de pH hoger is dan 5,5, moet de sonde opnieuw worden geplaatst;
  8. Bij een juiste ligging wordt de voerdraad uit de sonde verwijderd. Hierna wordt de sonde doorgespoeld om de resten van het maagsap te verwijderen;
  9. De sonde wordt vastgezet met een pleister op de neus en/of op de wang. Er kan nu gestart worden met de voeding.
    Klik hier, voor een voorlichtingsfilmpje over het plaatsen van de sonde.
    het plaatsen van een sonde

Zelf migrerende Neusduodenum- of neusjejunumsonde

Bij kinderen wordt deze sonde endoscopisch geplaatst

Het plaatsen van een neusduodenumsonde wordt uitgevoerd onder een lichte verdoving of een roesje.
Het is belangrijk dat uw kind op de dag van de plaatsing nuchter naar het ziekenhuis komt. De instructies hiervoor worden door het ziekenhuis gegeven.

Wat kunt u verwachten:

  1. Een neusduodenumsonde wordt geplaatst door middel van een endoscopie. Hierbij wordt een dunne endoscoop (buigzame slang) via de neus, keel en slokdarm in de darm geschoven. Het inbrengen van een endoscoop is niet pijnlijk, maar zou wel een onprettig gevoel kunnen geven. Er blijft genoeg ruimte over om rustig te kunnen blijven ademen.
  2. Via de endoscoop brengt de arts een voerdraad in tot in de dunne darm. Vervolgens wordt de neusduodenumsonde over de voerdraad heen geschoven.
  3. Als de sonde goed ligt, wordt de voerdraad uit de sonde getrokken en de endoscoop verwijderd.
  4. De sonde wordt vastgezet met een pleister op de neus en/of op de wang. Er kan nu gestart worden met de voeding.

Veelgestelde vragen

FAQ neussonde

  • Hoelang kan mijn kind leven met sondevoeding?

    Sondevoeding kan als volledige voeding gegeven worden en zolang als nodig gebruikt worden. Het levert een gebalanceerd, gezond dieet, dat alle voedingsstoffen bevat dat het lichaam van uw kind nodig heeft.

  • Wanneer kan mijn kind beginnen met sondevoeding?

    Voordat uw kind met sondevoeding kan beginnen moet de sonde geplaatst worden. Het plaatsen van de sonde vindt meestal plaats in het ziekenhuis. Bij sommige sondes is het noodzakelijk dat uw kind een tijdje na het plaatsen in het ziekenhuis blijft. Indien uw zorgverlener het vertrouwen heeft in een goed verloop, mag uw kind naar huis. Het is belangrijk om de adviezen van uw zorgverlener op te volgen.

  • Hoelang zal mijn kind sondevoeding nodig hebben?

    Sommige mensen hebben voor een korte periode sondevoeding nodig, terwijl andere juist voor een langere periode sondevoeding nodig hebben. Dit hangt af van wanneer uw kind weer (voldoende) normaal kan eten. Uw zorgverlener kan die vraag het beste beantwoorden.